De algemene doelen van de school

De Burgemeester Harmsma School stelt zich ten doel een bijdrage te leveren aan een zo veelzijdig mogelijke individuele en sociale ontwikkeling van de leerling. Deze doelstelling geeft aan dat de school een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het kind naast bijvoorbeeld het gezin en de directe leefomgeving (vrienden/vriendinnen/vereniging).

Die ontwikkeling moet tegelijkertijd zo veelzijdig mogelijk kunnen zijn: het leeraanbod bestaat dus niet alleen uit “hoofdvakken” (theorie), er is ook ruime aandacht voor “hart” en “handen”, respectievelijk expressie- en praktijkvakken.

De individuele leerling moet in de gelegenheid zijn zich optimaal en veelzijdig te ontwikkelen. Dit betekent leren actief en zelfstandig te werken, ervaren waar de eigen ambities en interesses liggen en leren keuzes te maken.

De school gaat er eveneens van uit een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de sociale ontwikkeling van leerlingen. Het samen leren en werken biedt mogelijkheden tot het ontwikkelen en uitbreiden van sociale en communicatieve vaardigheden.

Het onderwijs aan de school is gebaseerd op een zevental uitgangspunten. Deze uitgangspunten vinden onder meer hun basis in de kenmerken van de onderbouw. De eerste vier uitgangspunten zijn afkomstig uit de contourennota van Prof. dr. J.A. van Kemenade uit 1975, de toenmalige Minister van Onderwijs en deze uitgangspunten sluiten nog steeds perfect aan bij hoe het onderwijs in de visie van de school in de onderbouw georganiseerd zou moeten zijn om te zorgen voor een doorlopende leerlijn:

  • Uitstel van studie- en beroepskeuze.
  • Gelijke kansen voor alle leerlingen.
  • Optimale individuele en sociale ontplooiing.
  • Aanbieden van een breed vormingsaanbod.

Aan deze vier heeft de school de volgende uitgangspunten toegevoegd:

  • Alle mensen zijn gelijkwaardig.
  • Het onderwijs (en dus de mensen) aan de school kenmerkt zich door open te staan voor verandering
  • De school is een plaats voor ontwikkeling van allen; jongeren en volwassenen.

We zullen deze uitgangspunten hierna kort toelichten.

  • 1. Uitstel van studie- en beroepskeuze.

    Dit uitgangspunt stelt dat het voor leerlingen van groep 8 in de meeste gevallen moeilijk is om een studie- en/of beroepskeuze te maken op 12-jarige leeftijd. Daarvoor zijn een aantal redenen te noemen, waarvan de belangrijkste hier worden samengevat:

    • Aan het einde van de basisschoolperiode kan de algemene ontwikkeling en vorming van kinderen nog niet als afgerond worden beschouwd. De maatschappij wordt complexer en dit vraagt een langere voorbereidingsperiode in het onderwijs (funderend onderwijs).
    • Op het moment dat leerlingen voor een keuze worden geplaatst (einde basisschool) staan ze voor een belangrijke ontwikkelingsfase in hun leven: de puberteit. Deze fase is van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen. Leerlingen kunnen beter na of aan het einde van de puberteit voor deze keuze geplaatst worden. Ze zijn dan twee (soms drie jaar) in de gelegenheid geweest zich verder te ontwikkelen en breder te oriënteren.
    • Volgens onderzoek is de schoolkeuze nog steeds teveel milieugebonden. Het beroep van vader en/of moeder speelt een grote rol bij de studiekeuze van zoon/dochter. Het is beter dat kinderen een opleiding kiezen die in overeenstemming is met hun capaciteiten en belangstelling.
    • Op veel scholen worden de leerlingen vanaf de 1e klas op advies van de basisschool in de bij hen passende richting geplaatst: VMBO-basis, VMBO-kader, VMBO-gemengd, etc. Soms is er nog sprake van een tussenstroom: VMBO-theoretisch/HAVO, HAVO, HAVO/VWO, etc. Uit onderzoek blijkt, dat er in deze gevallen nauwelijks sprake is van opstroom (de BHS heeft jaarlijks gemiddeld bijna 20% opstroom).

    Bovenstaande argumenten pleiten ervoor om de schoolkeuze zo lang mogelijk uit te stellen, zodat leerlingen zicht kunnen krijgen op hun mogelijkheden en interesses.

  • 2. Gelijke kansen voor alle leerlingen.

    Een belangrijke voorwaarde om leerlingen gelijke kansen te bieden is het aanbieden van een verplicht programma aan alle leerlingen, waarbij de hele groep het brede aanbod volgt.

    Het onderwijs aan onze school is selectievrij in de onderbouw. De beoordeling van de leerling is niet gebaseerd op de onderlinge vergelijking van de leerlingen, maar om zicht te krijgen op de vorderingen van de individuele leerling.
    De beoordeling is niet een op zichzelf staand gegeven. Veel belangrijker is of de prestatie beter is dan de vorige. Beoordelen is niet alleen maar gericht op selecteren, maar veel meer om te kijken wat de mogelijkheden van de leerlingen zijn en waar eventueel nog hulp geboden moet worden.

    Een tweede belangrijk aspect ten aanzien van gelijke kansen is het voor deze leerlingen zo belangrijke verschil of er thuis wel of geen aandacht en belangstelling is voor de school.
    De leerling gaat naar school om er actief te werken en niet alleen maar om stil te zitten en te luisteren. Huiswerk wordt gegeven als het zinvol en functioneel is; geen huiswerk om het huiswerk. De docent kan de leerling het best bij zijn studie begeleiden en de leerling is niet afhankelijk van hulp in de thuissituatie.

  • 3. Optimale individuele en sociale ontplooiing.

    Door de grote natuurlijke verschillen in de groep zijn de leerlingen in staat veel van en met elkaar te leren. Met natuurlijke verschillen worden hier bedoeld: verschillen in capaciteiten, verschillen in culturele achtergrond, verschillen tussen jongens en meisjes, enz. Deze verschillen zijn een belangrijke voorwaarde voor het oefenen van het leren erkennen van en het leren omgaan met verschillen tussen mensen.

  • 4. Aanbieden van een breed vormingsaanbod.

    Het doel is de leerlingen in de onderbouw zoveel mogelijk kennis en vaardigheden te laten opdoen, die de samenleving van belang vindt voor een goed maatschappelijk functioneren, nu en later. De inhoud van de verschillende vakken is vastgelegd in kerndoelen. De school heeft een aantal vakken samengevoegd tot leergebieden, waardoor voor de leerlingen de samenhang tussen de verschillende vakken beter zichtbaar is.

    In de onderbouw wordt een voor alle leerlingen gelijkwaardig aanbod aan vakken verwezenlijkt: praktische vakken behoren tot het uniforme leer- en vormingsaanbod voor allen, maar ook theorievakken zoals Frans en Duits. Daarmee wordt aangegeven dat er sprake is van gelijkwaardigheid van te kiezen richtingen in het VMBO; bovendien zal de keuze voor die bepaalde sector door de opgedane ervaringen van de leerling in de onderbouwklassen weloverwogen tot stand komen.

  • 5. Alle mensen zijn gelijkwaardig.

    Ieder mens, ieder kind is een uniek wezen met een eigen ontwikkeling. De eigenschappen en kwaliteiten van ieder dienen zo veel mogelijk te worden gerespecteerd. Ook voor het toekomstige functioneren in de maatschappij is het belangrijk dat leerlingen leren om te gaan met verschillen tussen mensen.

  • 6. Het onderwijs (en dus de mensen) aan de school kenmerkt zich door open te staan voor verandering.

    Het vignet van de school geeft dit het duidelijkst weer. De schoolomgeving dient de leerling een bepaalde veiligheid en geborgenheid te bieden; min of meer afgeschermd tegen de echte wereld. Anderzijds moet de school open staan voor de maatschappij en maatschappelijke veranderingen. Van de school vraagt dit een open en flexibele opstelling. Veranderende omstandigheden en opvattingen vragen nieuwe antwoorden van de school.

  • 7. De school is een plaats voor ontwikkeling van allen, jongeren en volwassenen.

    Leerlingen van 12 tot 16 jaar verkennen mogelijkheden en grenzen van zichzelf en anderen, zijn op zoek naar uitdagingen en risico’s. Hun leeromgeving moet daaraan tegemoetkomen en tegelijkertijd voor veiligheid zorgen: een omgeving die prikkelt tot leren in situaties die realistisch en herkenbaar zijn; een sfeer waarin fouten gemaakt mogen worden; conflicten die opgelost worden door met elkaar te praten en naar elkaar te luisteren, en waarin gezond en verantwoordelijk gedrag wordt gestimuleerd.

    De docent zal vanuit de visie van de school naar leerlingen moeten kijken. Hij/zij zal in staat moeten zijn om naast het geven van instructie als coach en als mentor te kunnen functioneren. Regelmatig zal de eigen manier van lesgeven en het omgaan met de leerlingen onderwerp van discussie zijn. Op gezette tijden zullen leerplan, leerstof en didactiek gewijzigd en aangepast moeten worden aan de behoeftes van de groep.

    Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze veel inzet vraagt van leerkrachten, maar daar staat tegenover dat de docenten veel inspiratie kunnen putten uit het samenwerken met collega’s.